Dit is een gastcolumn van Brenda.
Als ik terugkijk op mijn jeugd, kan ik niet anders dan denken aan de voortdurende angst die ik elke dag voelde. De angst om verstoten te worden, de angst voor de volgende vernedering. Ik ging gebukt onder de constante, onzichtbare druk die ik altijd moest dragen. In ons gezin was ik de zondebok. En mijn moeder was de tiran die mijn bestaan in een wurggreep hield.
Mijn narcistsiche moeder stond aan de top van de scheve piramide die ons gezinssysteem was. Mijn vader was er nauwelijks, letterlijk en figuurlijk. Mijn zussen waren de gouden kinderen, werden altijd in het zonnetje gezet, altijd geliefd en opgehemeld. Maar ik was anders. Ik was altijd de schuldige. Het leek wel of ik mijn moeders frustraties moest dragen, haar woede moest absorberen. Hoe ik het ook probeerde, ik was nooit goed genoeg voor haar. Elke fout die ik maakte werd vergroot, elke mislukking werd een reden om me te vernederen. Het liefst in het bijzijn van anderen, zodat iedereen kon zien hoeveel ik volgens haar niet deugde.
Vernedering als wapen
Ik herinner me een familiefeest nog heel goed. We zaten aan tafel en ik voelde me even fijn, omdat ik naast mijn aardige oom zat. De enige in de familie die iets verder leek te kijken en niet alleen ‘dat lastige kind’ zag. Ik probeerde me in te houden, verborgen te lachen. Ik kon beter niet laten zien dat ik me even goed voelde, want dat werd meestal zwaar afgestraft. Ik zei iets tegen mijn oom en hij glimlachte. Mijn moeder hield me als een adelaar in de gaten en had iets gevonden waar ze op in kon hakken. Voor de ogen van iedereen, tijdens dat ‘feest’, begon ze me vilein te bekritiseren. Te kleineren. Het was zogenaamd een grap, maar haar stem werd scherper, terwijl ik steeds kleiner werd. Het was alsof haar woorden mij verpletterden. Ik had duidelijk weer geen recht om er te zijn. Haar toehoorders lachten maar wat, vooral mijn zussen. Ik voelde me vernederd, alleen en totaal machteloos. Die nacht lag ik weer wakker in mijn bed, na te gaan wat ik toch anders had moeten doen.
Lichamelijke en psychische gevolgen van dwingende controle in mijn jeugd
De jaren in mijn jeugd waren een eindeloze reis van onzekerheid, schaamte en het moeten ontkennen van mezelf. Het was duidelijk dat ik nooit aan de onuitgesproken verwachtingen en regels voldeed, dat ik altijd iets verkeerd deed. En de regels veranderden ook continu. De stress van deze constante controle door mijn moeder begon mijn lichaam en geest te breken. Mijn angst en somberheid werden steeds ernstiger. Ik raakte doordrongen van een diepe wanhoop, omdat het zo uitzichtloos was. Ik kreeg lichamelijke klachten, voelde me uitgeput, had geen energie meer om ‘normaal’ te leven. Ik raakte steeds verder verwijderd van mezelf. Had black outs op school, soms zakte ik ook echt even in elkaar. Alsof mijn lichaam letterlijk een signaal gaf het niet meer te kunnen dragen.
En de hulpverlening? Die begreep het niet. Artsen, leerkrachten, maatschappelijk werkers, ze zagen wat symptomen, maar niet de oorzaak. Fysiek was er niets mis. Ze zagen een ‘verward’ en afwezig meisje, niemand keek verder dan dat. Maar ze werden ook misleid. Ze prezen mijn moeder, die in de buitenwereld een heel ander persoon werd. Zo begaan met haar dochter, zo warm en vriendelijk. Mijn symptomen leken dan ook totaal overdreven. “Je moet gewoon sterker zijn,” werd er vaak gezegd. Maar ik was geen zwak persoon, ik was een slachtoffer van dwingende controle. Niemand leek dat te begrijpen, ik wist het zelf al helemaal niet.
Eindelijk context: ik was slachtoffer van narcistische mishandeling
Uiteindelijk was het mijn redding toen ik bij een therapeute kwam, een paar jaar geleden, die het wél begreep. Een vrouw die mijn pijn kon zien, die de tirannie van mijn moeder kon doorzien. Ze luisterde naar mijn verhaal, zonder oordeel en gaf eindelijk de context die ik nodig had. Dat ik slachtoffer was van dwingende controle in mijn jeugd. Dit stelde me in staat om eindelijk te erkennen wat er gebeurd was en hoe ik daaronder gebukt ging. Ik begon langzaam te begrijpen dat ik niet de schuldige was. Ik had de rol van zondebok toebedeeld gekregen. Ik had hier nooit om gevraagd en was vast gezet in deze rol, zodat mijn moeder zich oppermachtig kon voelen.
Ook de boeken van Iris Koops hielpen me heel erg om te begrijpen in welke waanwereld ik getrokken was. Om wat me was aangedaan te kunnen onderscheiden van wie ik diep van binnen ben: een goed en lief mens.
Ik realiseerde me dat het niet uitmaakte wat ik deed als kind, mijn moeder vond toch wel wat. Zo kon zij haar spanning kwijt.
Ik realiseerde me ook dat ze ervan leek te genieten. Ze straalde altijd een soort koude voldoening uit, alsof haar macht over mij haar plezier gaf. Dit kon ik me als kind niet realiseren, dit besef was te verpletterend.
Ik werk hard aan mijn herstel. De nachtmerries worden minder. Het is een proces van lange adem. Wat mij helpt is het ontdekken van mijn grenzen, het erkennen van mijn emoties. Het vinden van mijn eigen stem, letterlijk. De boeken van Iris gaven me toegang tot een taal waardoor ik kan verwoorden wat ik heb meegemaakt, wat dit met me deed. Eindelijk voelde ik me niet zo eenzaam meer.
Ik leer mezelf langzaam weer een beetje te vertrouwen. Elke dag is een stap vooruit, hoe klein ook.
Mijn boodschap voor wie zich in mijn verhaal herkent: zoek altijd goede hulp. Zoek iemand die je begrijpt, die je pijn erkent, die niet alleen naar de symptomen kijkt, maar naar de wortels van je problemen. Je verdient het om gehoord te worden. Je verdient het om in een veilige omgeving te kunnen helen. Als je het gevoel hebt dat je niet begrepen wordt, geef niet op. Er is altijd iemand die wél kan helpen.
Je bent niet alleen. En je verdient het om jezelf weer terug te vinden. Dit zeg ik ook tegen mezelf. Het is een hele zoektocht, maar eindelijk ben ik uit het doolhof waarin mijn moeder me gevangen hield.
